De eerste activiteiten op de scheepshelling Veluvia dateren rondom 1700. Ene Jan Hendrik Benedictus krijgt in 1768 toestemming om een helling te stichten. Over het reilen en zeilen in de tijd erna is weinig bekend, maar aan het eind van deze periode zijn er nog steeds twee hellingen over te weten de werf van Van Kuikhoven en die van Ten Cate.
Met de komst van Johan Oost in 1901 breekt er een tijd van verhoogde werfactiviteiten aan voor Harderwijk. Johan Oost werd op 31 mei 1874 te Echternbrug geboren als zoon van een scheepstimmerknecht en kwam in 1879 met zijn ouders naar Urk. Johan werkte eerst als leerling op de werf van de gebroeders Roos en kwam, na zijn diensttijd bij de marine, op de werf van Lourens Metz, eveneens op Urk. Door zijn huwelijk met de dochter van de werfbaas, Neeltje Metz, opende zich voor de jonge knecht een wijder perspectief. Toen kort na zijn trouwen in Harderwijk de werf van Van Kuikhoven te koop kwam, werd deze met hulp van zijn schoonvader overgenomen.
Het personeel bestaande uit: Arie Hamstra en Gijs van Gelder bleven in dienst en in 1901 kwam Johan Oost naar Harderwijk om de verwaarloosde helling op te knappen en in te richten. In 1902 volgden vrouw en kind; eerst woonden ze in de stad, maar in 1903 werd een nieuw gebouwd huis op de werf betrokken. De Kuikhovens hadden altijd in een afgeschoten gedeelte van de werkloods gehuisd. De werf hield zich bezig met de bouw en reparatie van zowel Zuiderzee- als Noordzeebotters, pluten en andere kleine vissersvaartuigen. Het smeedwerk werd aanvankelijk uitbesteed aan twee bedrijven in de stad, maar door vermoede opdrijving van de prijzen richtte de werfbaas in 1911 zelf een smederij op de werf in. Hier kwam Adriaan Roggeveen te werken, die als nevenwerkzaamheid ook paarden besloeg. Toen Roggeveen een eigen bedrijf begon, had inmiddels Oosts tweede zoon Lourens een smidsopleiding achter de rug en kon deze het werk overnemen.

Rond 1905 nam Johan Oost het werfje van Ten Cate over, dat een jaar in handen was geweest van Beert den Herder, een broer van Eibert. Door dit bedrijfje korte tijd nadien te liquideren en het terrein aan de gemeente over te doen, verkreeg Oost een monopoliepositie ter plaatse. Het bij de vissers heersende ongenoegen hierover leidde er in 1911 toe dat visserij-beroepsvereniging "Onze Toekomst" zelf een werfje stichtte, waardoor de leden voor een lager tarief konden worden gehellingd.
Het lag voor de hand dat Oosts beide zoons op den duur in het bedrijf opgenomen zouden worden. De oudste, Roelof, studeerde scheepsbouw omdat het in de bedoeling lag deze de staalbouw, waarop Oost over wilde gaan, te laten ontwerpen. De droogmaking gooide echter roet in het eten; voor Roelof was geen toekomst op de werf weggelegd en kwam uiteindelijk als scheepsbouwkundige bij de marine. Lourens bleef wonen en werken op de werf "Veluvia", zoals deze in 1907 kwam te heten. Met de zeven bedden, waarop negen vaartuigen tegelijk gehellingd konden worden, behoorde Oost tot de grootste langs de Zuiderzee. In 1908 verving men het houten spil door een motorlier, aangedreven door een Thomas-motor van De Steeg, die werkte op stadsgas. Hij stond op een draaischijf en kon voor alle bedden worden ingezet. De motor hield het meer dan vijftig jaar uit, maar weigerde dienst toen Harderwijk op aardgas overschakelde.
In 1930 gaf vader Oost de werf in huur aan zijn zoon Lourens, maar hij bleef er zelf nog op werken tot zijn tachtigste jaar; hij overleed in 1955. Door de afsluiting en de gewijzigde omstandigheden kon het bedrijf geen gelijke tred houden met de ontwikkelingen en het raakte achterop. Mede door het feit dat in oktober 1944 de Engelsen de werf bombardeerden, waarbij het woonhuis vernield en het voor een nieuw te bouwen schip klaarliggend hout versplinterd werd, besloot de oude Oost zich terug te trekken. In zijn leven als werfbaas had hij een groot aantal vaartuigen gebouwd en te water gelaten: 39 houten en 4 ijzeren. De eerste categorie bestond uit 9 kleine botters, 2 grote botters en 6 kleine Noordzeebotters. Onder de laatste bevonden zich schepen voor Urk, Vlissingen en IJmuiden. Verder 7 pluten, 3 kleine pluten, 1 pluut zonder dek, 3 zeilboten, 2 haringvletten, 2 kubboten en 4 roeivisboten.

In de geplande staalbouw bracht men het tot een hellingschouw, een baggermolen voor Eibert den Herder waarmee de haveningang werd opengehouden, een dekschuit voor de Amsterdamse haven en een visserschip naar ontwerp van Roelof Oost. Dit laatste schip was bedoeld als het prototype van een serie van tien, maar door de gebrekkige outillage, de inflatie en de wisselende staalprijzen kon geen produktie ter hand genomen worden.

Nadat Johan Oost zich teruggetrokken had, zette Lourens het bedrijf voort. Na de oorlog was er aanvankelijk nog volop werk in de visserijsector; veel Harderwijker vissers lieten intensieve reparties uitvoeren nadat er door de oorlog veel achterstallig onderhoud was ontstaan. Bovendien werd er op het IJsselmeer goed verdiend en leek er, wat betreft de verdere inpoldering, voorlopig nog geen vuiltje aan de lucht. Na 1950 was het echter met de grote reparaties gedaan en beperkte men zich nog tot het allernoodzakelijkste onderhoud. Na 1969, het jaar waarop Lourens zoon Johan het bedrijf verliet, was er nauwelijks meer sprake van enige activiteit.
Uit: van gaand en staand want, Peter Dorleijn.
Dirk Roelofsen kocht in 1975 de helling van de Familie Oost. Hij renoveerde het huis grondig en ging daar in 1977 met zijn gezin wonen. In de daarop volgende jaren is er 1 hellingbed weer in oude glorie hersteld. In 1981 werd de eerste botter (VD153) weer op de helling gelierd. Na een paar weken reparatie werd deze botter onder grote publieke belangstelling te water gelaten. Na 30 jaar eindelijk weer een botter van de helling. Tot 1994 werden er regelmatig schepen gehellingd. Helaas moest deze prachtige activiteit gestaakt worden vanwege de gezondheidstoestand van de hellingbaas. Op 20 december 2001 overleed Dirk Roelofsen. In 2003 veranderde de helling van eigenaar. Reijer (zoon van Dirk) en Jacolien die altijd gewoond hadden in de arbeidershuisjes van de helling, mochten doorschuiven naar het hellinghuis. Zij besloten om het huis weer in de oorsprokelijke staat en aanzicht terug te brengen zoals in 1903 gebouwd.
Na veel speurwerk in de gemeentelijke archieven, het stadsmuseum en navraag bij een aantal oude Hardewiekers werd langzaamaan helder hoe het huis er oorspronkelijk uitgezien moet hebben. Samen met architect Slager werd er een plan gemaakt waarin verleden en de huidige woonwensen goed in elkaar zouden overlopen. Na een intensieve periode van tekenen en ontwerpen, maar vooral overleg met het ambtelijk apparaat kon er in september 2002, door Aannemer Vink en Bakker uit Harderwijk met de renovatie gestart worden. Op 10 april 2003 werd er intrek genomen in de vernieuwde woning. Het resultaat was zeker alle inspanning waard. Met de onthulling van een aantal orginele en gerenoveerde plaqeuttes werd de woning officieel in gebruik genomen.
Na een jaartje rust werden de volgende plannen voor het herstellen van het oude aanzicht opgepakt. Op de helling bevond zich ook nog een smederij. Deze smederij was door Oost gebouwd als werkplaats voor het smeden van stalen onderdelen van de botters. Hij vond de tarieven van de plaatselijke smid te hoog en nam zijn eigen maatregelen, een nieuwe smederij dus. Maar ook deze smederij was inmiddels hard aan een opknapbeurt toe. In nauw overleg met de gemeente Harderwijk en Monumentenzorg en de provincie Gelderland werd deze renovatie opgepakt en deels gefinancierd. Eind 2004 was ook deze klus geklaard.
Na een jaartje rust werden de volgende plannen voor het herstellen van het oude aanzicht opgepakt. Op de helling bevond zich ook nog een smederij. Deze smederij was door Oost gebouwd als werkplaats voor het smeden van stalen onderdelen van de botters. Hij vond de tarieven van de plaatselijke smid te hoog en nam zijn eigen maatregelen, een nieuwe smederij dus. Maar ook deze smederij was inmiddels hard aan een opknapbeurt toe. In nauw overleg met de gemeente Harderwijk en Monumentenzorg en de provincie Gelderland werd deze renovatie opgepakt en deels gefinancierd. Eind 2004 was ook deze klus geklaard.
In hetzelfde tijdblok werden de nog aanwezige lier en hellingbed tot stedelijk monument verklaard. Het sluitstuk van de complete renovatie van de helling moest de hellingschuur worden. De oorspronkelijke schuur werd gebruikt als bouwplaats voor nieuwe botters. In 1977 is de oorspronkelijke loods gesloopt omdat deze nagenoeg op instorten stond.
Aan de hand van oude fotos werden er bouwtekeningen gemaakt en werd er overleg gepleegd met de gemeente Harderwijk. Na 6 maanden overleg en wijzigen van tekeningen werd er uiteindelijk een vergunning verleend. In september 2005 is de bouw gestart. Bouwbedrijf Schuuring in samenwerking met leerlingen van de Drempel (zie bijlage) waren verantwoordelijk voor de bouw. Na 6 maanden hard werken werd de loods op 15 april 2006 opgeleverd. Op koninginnedag 2006 werd de loods door de neven en nichten van onze familie officieel geopend, door de eerste boot met vereende krachten de loods in te slepen. Onder het genot van een goede zeemansborrel werd de loods op gepaste wijze in gebruik genomen.
De begane grond zal als werkplaats ingericht gaan worden. Deze ruimte is gebruikt als praktijklokaal voor leerlingen van "Mijn School". Deze school leidt leerlingen op voor een beroep in de hout en of metaalnijverheid. De bovenverdieping van de werfschuur wordt ingericht als ontvangst lokatie voor Scheperij Veluvia en Zo. In 2011 is de scheepstimmerwerf ge-upgrade. De beneden verdieping is compleet geisoleerd, geschilderd en er is nieuwe verlichting in geplaatst. Tevens is er een kombuis gemaakt om lekkere maaltijden te bereiden. De bovenverdiepings is aangepast als Captainsroom, met veel rode pluche gezellige hoekjes o.a. bij het kacheltje en de bar.
![]() |
![]() |
| Dirk Roelofsen | Reijer Roelofsen |

